Burgerschap

Definiëring:
Vanuit de filosofie kan moraliteit gedefinieerd worden als een systeem van gedragspatronen met betrekking tot standaarden van goed en verkeerd gedrag. Het refereert aan gedrag, morele verantwoordelijkheid (geweten) en de mogelijkheid, het vermogen, om goede en adequate acties te ondernemen. Vaak gebruikte synoniemen in dit verband zijn onder meer: ethiek, principes, deugdzaamheid en goedheid. In de multi-culturele samenleving waarin we op dit moment leven is moraliteit een gecompliceerde kwestie geworden. De cultuurgebondenheid en godsdienst spelen hier een belangrijke rol. Moraliteit helpt ons om goede mensen te worden, zodat we een goede samenleving hebben.
 
Moraliteit en pedagogiek (volgens Piaget en Kohlberg):
Moraliteit is een verzameling van principes en standaarden waarin het individu onderscheid weet te maken tussen wat goed en slecht is (zie ook de definiëring). Goed en slecht verwijzen naar algemeen aanvaarde maatschappelijke waarden. Het bijzondere hiervan is dat je er zelf als individu voor kiest deze waarden op te volgen. Hier komt de pedagogiek (opvoedkunde) van pas. De ontwikkeling van het morele besef is opvoedkundig belangrijk en is op te delen in verschillende fases (leeftijdsgroepen). Kleuters b.v. hebben al enig moreel besef (zich schuldig voelen over iets wat niet zou kunnen en zich hierover schamen)Opvoeders hebben tot taak deze moraliteit te ontwikkelen, rekening houdend met de mogelijkheden per leeftijdsgroep. Van een baby kun je bovenstaand voorbeeld  logischerwijze niet verwachten en zal de opvoeder op een andere wijze acteren dan b.v. bij een puberale leeftijd. Opvoeders hebben hier niet alleen een taak, maar ook een verantwoordelijkheid. Tot zover de theoretische bespiegelingen.
 
Burgerschapsvorming (ontwikkeling moraliteit) op de basisschool:
De vraag dient zich aan wat de school kan bijdragen aan bovenstaande. Je komt het tegenwoordig overal tegen: het begrip burgerschapskunde. Ook de overheid besteedt hier steeds meer aandacht aan. Minister Van der Hoeven was al van mening dat kinderen op de basisschool in aanraking moeten komen met burgerschapsvorming. Dit wordt verwoord in het wetsvoorstel “Bevordering actief burgerschap en sociale integratie” en is vanaf 1 februari 2006 in werking getreden. Scholen worden hiermee verplicht bij te dragen aan integratie en burgerschapskunde. Wat het begrip “burgerschapskunde” nu eigenlijk voor ons betekent is hierboven te lezen. Wij zijn er, gezien het eerder gestelde, van overtuigd dat het een essentieel onderdeel van de opvoeding is. Thuis en op school moet dit aan de orde komen. De invoering hiervan op de basisschool moet er toe leiden dat leerlingen voorbereid worden op deelname aan de pluriforme samenleving. Democratie en omgangsvorming moeten nadrukkelijk naar voren worden gebracht.
Al in de onderbouw worden leerlingen op montessoriaanse wijze begeleid. Deze begeleiding moet uiteindelijk uitmonden in gesocialiseerde kinderen op ongeveer 6 jarige leeftijd. Dit proces wordt uitvoerig beschreven in het boek “de Methode” (auteur Maria Montessori). Al onze leerkrachten zijn geschoold om deze theorie in praktijk te brengen. Voor nadere informatie over dit proces verwijzen wij graag naar dit handboek. Wij kunnen stellen dat dit fenomeen door ons dusdanig belangrijk wordt geacht dat overgang van een leerling naar groep 3 hier onder andere van afhankelijk is. Het gedrag in de klas, tijdens de lessen en niet als laatste tijdens het buitenspelen zijn indicatoren voor de leerkracht om het kind zo nodig bij te sturen. Hier wordt tevens de methode “Memelink” voor gehanteerd. Observatie, begeleiding en vooral sturing zijn in deze de magische woorden die door ons niet geschuwd worden. De ouders zijn op de hoogte gebracht van deze werkwijze door uitreiking van de schoolgids en vooral door het bezoeken van de jaarlijkse voorlichtingsavond, waarop dit thema nadrukkelijk aan de orde komt. Op deze wijze worden ook de ouders betrokken bij dit proces. Ook tussentijds vinden gesprekken plaats (indien nodig) om eventuele problemen op dit gebied te bespreken, op te lossen, en het liefst voor te zijn. Burgerschapskunde moet volgens het leerplan niet worden gezien als een apart vak. Het zou volgens de overheid meer een vanzelfsprekend onderdeel moeten zijn van meerdere vakken, b.v. van geschiedenis, maatschappijleer, aardrijkskunde, mensenrechten educatie. Burgerschapskunde kan daarnaast ook tot uiting komen in de wijze waarop de school invulling geeft aan regels ten aanzien van sociale veiligheid, kennis over democratie, omgang tussen leerlingen onderling, schoolregels. Ten aanzien van bovenstaande kunnen wij stellen dat dit in ons curriculum gerealiseerd wordt. Zo is er onlangs een digitale uitvoering aangeschaft van “wandplaten” betreffende de opbouw van het bestuur van het land, zowel op lokaal als provinciaal als landelijk niveau. Tevens komen in de door ons gebruikte methodes de bovengenoemde onderwerpen voldoende aan de orde. Kinderrechten worden uitvoerig besproken in de geschiedenismethode, sociale veiligheid is een dagelijks item waarmee de leerkrachten op montessoriaanse wijze dagelijks mee omgaan (het Anti Agressie en Sexuele Intimidatie-protocol, ondersteund door ons schoolbestuur BOOR, is hierbij van kracht). Kennis over democratie komt regelmatig aan de orde in onze aardrijkskunde methode en geschiedenismethode. De omgang tussen kinderen onderling is een item wat door Maria Montessori uitgebreid beschreven is en naar deze theorie handelen wij als goed opgeleide professionals. Hierdoor kunnen wij reeds jaren bogen op een zeer rustige sfeer in de klassen en gangen. Tijdens klassengesprekken, kringgesprekken e.d. komen onderwerp die te maken hebben met burgerschap met regelmaat aan de orde.
Op deze wijze, ingebed in verschillende methoden en besproken op meerdere momenten, zijn wij van mening een goede invulling te hebben gegeven aan de door de minister geformuleerde wetgeving. Uiteraard volgen wij de ontwikkelingen op de voet en zullen we daar waar nodig aanpassingen doorvoeren.
 
 
Meer praktische uitvoering:
Het handelen bij ons op school is erop gericht te komen tot een kritisch-democratische vorm van burgerschap. Zowel de individuele als de sociale – op het algemeen belang gerichte – ontwikkeling is van belang. Hierbij moet gedacht worden aan de bekende drieslag: vrijheid, gelijkheid en broederschap en aan mensenrechten. Onze school geeft hier op de hieronder genoemde wijze vorm aan.
– Groeperingsvorm: Elke groep is opgebouwd uit 3 leeftijdscategorieën. Afhankelijk van de activiteiten wordt gekozen voor individueel werken, werken in kleine groepjes of voor acteren in klassikaal verband. De groepen worden zoveel mogelijk divers samengesteld (b.v. qua niveau, leeftijd, etniciteit, sekse). De samenwerking moet wel doelgericht zijn.
 
Dagelijkse gang van zaken:

  • Leertaken: Zelfstandigheid (leer mij het zelf te doen) neemt bij ons een belangrijke plaats in. Dit betekent dat van leerlingen gevraagd wordt elkaar te helpen bij het oplossen van vraagstukken, samenwerking vindt veelvuldig plaats.
  • De kinderen zijn o.a. verantwoordelijk gesteld voor het volgende: schoolkrant, schoon houden van de klas, school en de omgeving van de school (hier wordt de leefbaarheid van de omgeving aan de orde gesteld).
  • Meedoen aan goede doelen: Plan, actuele inzamelingsacties. Hieronder vallen ook de acties ter verbetering van de buurt/school.
  • Vier vrijheid (4 en 5 mei): Dit onderdeel neemt jaarlijks een belangrijke plaats in bij de  geschiedenislessen in april. De waarde “democratie” is hier van groot belang.
  • In kringgesprekken proberen de  kinderen oplossingen aan te dragen voor problemen die zich voordoen in de klas, de school, de omgeving van de school, de stad, het land, de wereld. Hier wordt gewaakt over de normen: gelijkheid van geloof, ras, sekse. Art. 1 van de grondwet is van belang.
  • Anti-pestaanpak: indien nodig wordt hier dagelijks aandacht aan besteed.
  • We hebben duidelijke afspraken en regels waar iedereen zich aan dient te houden. Deze regels kunnen door de leerkracht, maar ook door de leerlingen gemaakt worden (b.v. tijdens kringgesprekken).
  • Onze school besteedt aandacht aan het beleid t.a.v. gehandicapten. De school is aangepast aan het gebruik van rolstoelen (drempels weg, invalidentoilet e.d.). We hebben ons erop toegelegd dat kinderen die gebruik maken van prothesen en/of rolstoelen onze school kunnen bezoeken. Verder hebben we ons verdiept in gehoorproblematiek.
 

Nog enkele feitelijkheden:

  • meedoen aan projecten geestelijke stromingen
  • adoptie van oorlogsmonument
  • viering 4 en 5 mei
  • volgen troonrede
  • vieren van religieuze feesten en aandacht voor de achtergronden van deze feesten
  • saamhorigheid verbeteren
  • bezoeken buitenschoolse instanties. 
 
 
Wij gaan ervan uit, gesteund door de Nederlandse Montessori Vereniging, recht te doen aan de beroemde uitspraak van Maria Montessori: “Door het kind naar een betere wereld”.
 
 

 

Delen: